Wim Gabriels

een blog over om het even wat

Tag archief: Vogels

De eerste voorzichtige zonnestralen

Nu de lente al zo lang op zich laat wachten, is een heel klein beetje zon voor ons genoeg om de buitenlucht op te zoeken. En dus zagen we deze zondagmiddag kans om een ontspannende wandeling te maken langs de Schelde, tussen de Stropkaai en de Ringvaart.

De Schelde

De Schelde, onder de eerste voorjaarszon

Wilde eenden

Wilde eenden (Anas platyrhynchos)

Gehakkelde Aurelia

Gehakkelde Aurelia (Polygonia c-album)

Advertenties

Aalscholvers in de Stropkaai

Je zal maar een aalscholver zijn dezer dagen. De vissen waar je zo verzot op bent, zitten onder water, beschermd door een laag ijs. Gelukkig niet overal. Hier in de Stropkaai vertoont de Schelde wel wat gaten. De aalscholvers troepen hier dus gretig samen. Een mooie buitenkans om deze imposante vogels van dichtbij te zien!

Aalscholvers (Phalacrocorax carbo)

…en ook nog een waterhoen (Gallinula chloropus).

Even een frisse neus halen

Vandaag is het voor mij een verlofdag, en mijn trouwe tweewieler bracht mij nog eens naar de Bourgoyen!

De Bourgoyen liggen er vredig bij op deze frisse maar mooie novemberdag.

Pimpelmees (Cyanistes caeruleus)

Roodborstje (Erithacus rubecula)

Moeder en kind

Dit is één van de redenen waarom wij zo dol zijn op de lente:

Wilde Eend (Anas platyrhynchos), vrouwtje met jong, langs de Schelde in Gent.

Meerkoeten in de sneeuw


Meerkoeten (Fulica atra) in de sneeuw, aan de Schelde-oever in de Stropkaai.

Een gevederde reus uit Chili

De Pelagornithidae zijn een uitgestorven familie van grote zeevogels met op hun snavel puntige uitsteeksels die wat aan tanden doen denken. De uit de kluiten gewassen vogel hieronder (illustratie: Carlos Anzures) vertegenwoordigt een nieuwe soort die tot deze familie behoort. De soort kreeg de naam Pelagornis chilensis en wordt deze maand voor het eerst beschreven in het tijdschrift Journal of Vertebrate Paleontology op basis van een fossiel uit het noorden van Chili dat tussen 5 en 16 miljoen jaar oud is.

De afmetingen van het fossiel zijn impressionant. De vleugelspanwijdte moet meer dan vijf meter zijn geweest, en behoort daarmee tot de grootst bekende aller tijden. Het fossiel is bovendien een van de meest complete skeletten die tot nu toe van deze familie van zeevogels zijn gevonden, en geeft daarom belangrijke nieuwe informatie over de anatomie van deze enorme vogels. Hieronder zie je de schedel van Pelagornis chilensis (foto: S. Tränkner, Forschungsinstitut Senckenberg). De lange, smalle snavel met de puntige uitsteeksels waren waarschijnlijk perfect geschikt om vis en andere gladde prooien uit het water te verschalken.

Bron:
Gerald Mayr & David Rubilar-Rogers (2010). Osteology of a new giant bony-toothed bird from the Miocene of Chile, with a revision of the taxonomy of Neogene Pelagornithidae. Journal of Vertebrate Paleontology 30: 1313-1330.

Een bijzondere theropode

Het zijn goede tijden voor liefhebbers van dinosauriërs. Na de vondst die vorige week in PNAS werd aangekondigd, verscheen gisteren in Nature de beschrijving van een al even merkwaardige soort. En het gaat opnieuw om een theropode uit Europa, ditmaal uit Spanje. Deze nieuwe soort werd Concavenator corcovatus gedoopt (illustratie: Raúl Martín). Het fossiel, dat gevonden werd in de provincie Cuenca in het centrum van Spanje, stamt uit het vroege Krijt, met een ouderdom van zo’n 130 miljoen jaar.

Het bijzonder goed bewaarde skelet, dat de koosnaam Pepito kreeg, laat zien dat deze nieuwe soort tot de carcharodontosauriërs behoort. Deze groep van theropoden omvat soorten die behoren tot de grootst bekende landroofdieren ooit (zoals Giganotosaurus carolinii, die waarschijnlijk nog iets groter was dan Tyrannosaurus rex). Zo groot was Pepito niet, maar met een lengte van ongeveer zes meter niettemin een te duchten rover. Het skelet is opmerkelijk omwille van twee bijzondere kenmerken.

Het meest in het oog springende kenmerk is de aanwezigheid van lange uitsteeksels op enkele wervels van de onderrug. Door deze uitsteeksels moeten deze dieren een soort vlezige bult onderaan de rug gehad hebben. De functie daarvan is voorlopig niet bekend, maar mogelijk speelde het een rol bij communicatie met soortgenoten, voor de opslag van vetreserves of voor temperatuurregulatie (verkoeling van het lichaam).

Maar wat deze vondst nog belangrijker maakt, is dat de botten van de onderarm een serie van knobbels vertonen, waarvan men vermoedt dat het aanhechtingspunten voor primitieve veren kunnen geweest zijn. Geen echte veren maar waarschijnlijk eerder een soort van draadvormige structuren (zoals de figuur bovenaan suggereert). Dat is de eerste keer dat aanwijzingen gevonden worden voor primitieve veren bij carcharodontosauriërs. Hier zie je het bewuste bot (a, b) en onderaan (c) ter vergelijking een bot van een Amerikaanse gier (figuur uit het Nature-artikel; de maatstreep komt overeen met 1 cm).

Bij een andere groep theropoden was het voorkomen van veren reeds aangetoond, namelijk bij de coelurosauriërs, de groep waaruit ook de vogels ontstaan zijn. Als Concavenator inderdaad primitieve veren had, dan betekent dat dat de oorsprong van veren al bij een veel eerdere vertegenwoordiger van de theropoden moet gezocht worden; tenminste als we de redelijke veronderstelling maken dat ze niet onafhankelijk van elkaar bij de verschillende groepen zijn ontstaan.

Vorig jaar werd zelfs melding gemaakt van aanwijzingen van primitieve veren bij ornithischiërs, een nog veel verder van de vogels verwijderde tak binnen de dinosauriërs. Vermits de carcharodontosauriërs veel nauwer verwant zijn aan de coelurosauriërs, is de gemeenschappelijke oorsprong van primitieve veren bij deze twee groepen weliswaar nog waarschijnlijker. Hoe dan ook, het ziet er naar uit dat (primitieve) veren waarschijnlijk nog wijder verspreid waren onder dinosauriërs dan vroeger verondersteld werd.

Bron:
Francisco Ortega, Fernando Escaso & José L. Sanz (2010). A bizarre, humped Carcharodontosauria (Theropoda) from the Lower Cretaceous of Spain. Nature 467: 203-206.

Intussen in de Bourgoyen

Een vrije dag en mooi weer: meer is voor mij niet nodig om zin te krijgen om de natuur in te trekken. Maar er was een bijkomende reden: een splinternieuwe verrekijker! En ik wist meteen waarheen, want ik was al een hele tijd niet meer in de Bourgoyen geweest. Het resultaat was een heerlijke zomerse wandeling in dit prachtige natuurgebied… en heel veel dorst bij thuiskomst.

En natuurlijk laat ik jullie graag even meegenieten met enkele foto’s!

Links: rupsen van de sint-jacobsvlinder, ook zebrarupsen genoemd (Tyria jacobaeae) op jacobskruiskruid (Senecio jacobaea).

Gewone oeverlibel (Orthetrum cancellatum)

Bruin zandoogje (Maniola jurtina)

Waterhoen (Gallinula chloropus)

Het genoom van de zebravink

De zebravink (Taeniopygia guttata) is een zangvogel die van oorsprong voorkomt in Australië, Oost-Timor en Indonesië (foto: Wikipedia). Net als andere zangvogels hebben ze een bijzondere eigenschap gemeen met de mens: ze communiceren met hun soortgenoten door aangeleerd gebruik van hun stem. Dat is een bijzonder zeldzame eigenschap in het dierenrijk, wat ze erg interessant maakt bij onderzoek naar de evolutie van taal bij de mens.

In het tijdschrift Nature van deze week wordt aangekondigd dat het genoom van de zebravink gesequencet is. De steeds sneller groeiende lijst van soorten waarvan het genoom afgelezen is, krijgt er dus weer een naam bij. Tot nu toe was de kip, waarvan het genoom in 2004 gepubliceerd werd, de enige vogelsoort op die lijst. Maar nu krijgt de kip dus gezelschap van de zebravink.

Het genoom van de zebravink omvat zo’n 17475 genen met eiwitcodering. Onderzoek van de expressie van het RNA (de moleculen die de onontbeerlijke tussenschakel vormen bij het omzetten van de specifieke DNA-codes in de overeenkomstige eiwitten) wijst uit dat een groot aandeel van het RNA dat in de hersenen van de zebravink geproduceerd wordt, een rol speelt bij het aanleren van de zang. Er is blijkbaar een groot gedeelte van het genoom betrokken bij dit leerproces. Het lied van de zebravink, en van de andere zangvogels, is dus niet alleen een artistiek, maar ook een evolutionair kunstwerkje.

Bron:
Wesley C. Warren, David F. Clayton, e.a. (2010). The genome of a songbird. Nature 464: 757-762.

Tuinvogeltelling van Natuurpunt: de resultaten

Elke winter voert Natuurpunt een grote tuinvogeltelling uit met de hulp van haar leden. Iedereen die vogels voedert in zijn tuin, telt op één welbepaald weekeinde (dit jaar op 6-7 februari) de soorten en aantallen vogels die de tuin bezoeken. Dit jaar werden er gegevens bijeengebracht van niet minder dan 5121 tuinen!

De voorlopige resultaten staan intussen online. De vogel die in de meeste tuinen voorkwam, is de vertrouwde merel (op de foto, weliswaar in iets minder winterse omstandigheden). Die soort tekende present in maar liefst 95 procent van de tuinen. Ook koolmees (92 %) en roodborst (88 %) waren frequente gasten. De meest talrijke vogel was dan weer de huismus met gemiddeld zo’n vijf stuks per tuin.

Wie ook geteld heeft, maar nog geen resultaten doorgegeven, kan dit nog doen tot 10 maart.

En wij kijken intussen al uit naar de eerste kuikentjes die we in de lente aan de Schelde-oevers zullen zien!